Elke hondenmens kent ze. De zeven fasen tussen „Ik pak de jas" en „We gaan nu naar buiten". Een veldstudie uit de eigen gang.
Fase 1: De verstarring
Je houdt de jas omhoog. Je hond wordt een standbeeld. Als ik me niet beweeg, bestaat de jas niet.
Fase 2: De advocaat
De blik. Die ene blik die zegt: we hadden een afspraak, en die bevatte geen textiel.
Fase 3: De noedel
Alle botten verlaten het lichaam. Een hond die geen jas wil, weegt het drievoudige en heeft de consistentie van gekookte spinazie.
Fase 4: Het stilstaan met jas
De jas zit. De hond staat. Hij zal nooit meer lopen, dat deelt hij je mee door louter stil te staan. Sommige honden houden dat een indrukwekkende vier minuten vol.
Fase 5: De teststap
Eén poot beweegt. Het kan dus toch. Interessant.
Fase 6: Het vergeten
Buiten aangekomen is de jas verleden tijd. Er zijn belangrijker dingen. Er is die ene hoek waar gisteren een andere hond was.
Fase 7: De verlichting
Na ongeveer een week gebeurt het: geritsel van de jas betekent wandelen. Vanaf nu wordt de jas toegejuicht. Gefeliciteerd, jullie hebben het gered.
De serieuze kern
De fasen zijn in te korten: leg de jas eerst alleen neer en laat eraan snuffelen, trek hem dan even aan met een snoepje, en ga daarna direct naar buiten. Nooit aantrekken en binnenblijven, anders leert de hond: jas betekent niets goeds. En: een jas die goed zit en nergens knelt, verkort fase 3 aanzienlijk. Hoe je de juiste maat vindt, lees je hier.